Brieven van een gedeporteerde uit Stadt des K.D.F.Wagens / april 1943

Een vergeeld postkaartje uit Liège, met als poststempel 14-IV-1943, geadresseerd aan vader Albert Ghyselen, Gistelsche steenweg 469 te St-Andries Brugge.
Nog maar nauwelijks zes uur van huis weg en al twee postkaarten had Fernand naar zijn ouderlijk huis gestuurd, eentje uit Leuven en eentje uit Luik. Het typeert allicht de toen nog altijd maar achttienjarige, enige zoon die anders nooit alleen van thuis weg was en aan zijn eerste, buitenlandse trip, alleen dan nog, begon en dat in volle oorlogsperiode. Via Luik gaat het over Aken naar Magdenburg, waar hij een andere bestemming krijgt dan aanvankelijk voorzien: niet Halle Salle maar de Volkswagenfabrieken in Fallersleben. 

Drie dagen later komt Fernand aan op een andere bestemming dan aanvankelijk voorzien was. Zijn eerste indrukken vanuit Stadt des K.D.F.Wagens bei Fallersleben, den 17-4-43:
,,Beste ouders
Ik ben hier te Fallersleben vandaag goed aangekomen, dat is dus zaterdagmiddag om 12 uur.
Fallersleben ligt tusschen Hannover en Magdeburg. U zult het waarschijnlijk op de landkaart niet vinden. Ik weet dat ik eigenlijk naar Halle Saale moest vertrekken, maar nu zal ik eens vertellen hoe dat gekomen is.
Ik ben uit Brugge vertrokken om 10 uur en ben aangekomen te Aken om 6.30uur ’s avonds. Ik heb twee postkaarten verzonden uit België, één uit Leuven en één te Luik. Het schoonste gedeelte van de reis was het eind van Luik tot Herbesthall. Maar in Herbesthall begon de calvarieberg. Alle pakken en valiezen moesten uit den trein en wij moesten daarmee naar de controle, wij hebben daar een ,,tour de Belgique” moeten doen van een tiental minuten, en het schoonste van al: onze valiezen werden niet onderzocht, dus een reisje voor den Keizer, en tien minuten nadien vertrokken wij naar Aken, daar was het werderom hetzelfde spel als in Herbesthall, nu niet voor de controle, maar naar het Arbeitsambt, weeral tien minuten ver. U kunt denken met die valiezen wat dat was.
In Aken kregen wij een half brood, wel een soeplepel of vier boter en een klein stukje kaas, alsook een telloor soep, ’t was dikke soep, maar ze was kokend heet. De patatten waren fijn gesneden, alsook wortels en groensel, allemaal op zijn geheel, en vandaar naar de statie. Het was tien uur en half toen wij toekwamen in het station van Aken en toen het elf en half was, stonden wij er nog. Maar plots was het luchtalarm en wij moesten nu den trein op, verder weg binst den nacht.

Flauw bier

In Düsseldorf heb ik veel huizen gezien die zoo gebouwd waren gelijk bij Coppé. U kunt wel denken dat ik niet veel geslapen heb binst den nacht. Het Ruhrgebied zijn wij zoo doorgereden. ’s Morgens om 6 uur waren wij te Rheda, daar heb ik dan ook gegeten en dan maar verder, om 9 uur waren wij reeds te Hannover, en te 12 uur in Magdenburg. Hier was het wederom datzelfde slameur met onze pakken als te Aken. ’s Avonds zijn wij in Magdenburg uitgegaan met een jongen van Knokke die daar al twee maanden is. Wij hebben eens goed de stad verkend tot rond negen uur, en zijn een tweetal cafés binnengegaan, en hebben fluitjesbier gedronken; het bier is hier nog flauwer en dunner dan in België; men betaalt hier 23 tot 30 pfenning voor een klein glas bier.
’s Anderendaags werden wij triiert, een twintigtal werden naar en daar gestoken, en zoo werden wij allemaal van elkaar losgerukt. Ik moest met nog elf man naar Fallersleben. Ik heb hier een kameraad van Knokke, Dudzeele, Rekkem, Clemskerke, Waasmunster en Antwerpen. Wij hebben ook een nacht doorgebracht bij Tsjechen in Magdenburg. Dat was de eerste nacht, toen wij daar allemaal in een oude danszaal sliepen bij elkaar.
Den tweeden nacht hebben wij doorgebracht in een lager in Magdenburg, waar er Franschen lagen, drie Hollanders en twee Belgen, een jongen uit Nijvel enéén van St-Pieters-bij-Brugge; deze laatste was een beenhouwer die in een elektriciteitsfabriek werkte. Dat was een proper lager, waar er een dertigtal man sliepen, proper ingericht met een zaal om zich te wasschen met lavabo’s en spiegels, modern ingericht en chic zulle. Spijtig dat wij daar niet konden blijven. Ik heb donderdagavond een postkaart verzonden uit Magdenburg naar Omer Desoete en ik heb hem opdracht gegeven deze kaart af te geven aan u. In de laatste dagen heb ik veel gereisd, gezien, dorst gehad en veel afgezien met mijn pakken. Want u weet wel dat ik niet gewend ben van pakken te sleuren. Mijn handen deden ook veel pijn, en ik heb ook veel dorst gehad, dat moet ik nog bijzonderlijk zeggen. U ziet wel dat mijn plan gansch alleen heb moeten trekken, waarin ik dan ook glansrijk geslaagd ben.
Zaterdagmorgen ben ik opgestaan om 4.30uur. Ik was de eerste op. U ziet wel dat ik hier geen slaper ben, en dat het niet gaat zoals thuis. Ik slaap hier op een strooizak en hoewel dat ook niet zacht is, is het beter dan op planken.
Het is nu zaterdagavond en ik heb reeds gegeten in de kantine van een grooten fabriek, waar er zoiets van 25.000 arbeiders werken. Er zijn hier ook Russische gevangenen en Polen en Russische meisjes, maar die worden hier goed bewaakt. Het eten is nogal goed. ’s Avonds patatten, wortelen en groensel alles door elkaar met wat vleesch. Het is een soort van dikke pap die dient als soep, waar uw lepel kaarsrecht in staat.
Ik heb vrijdagmorgen mijn laatste boterhammen opgegeten die ik meegekregen heb van u voor de reis. U ziet ik eet niet veel, want ik heb nog geen goesting in mijn eten.
De Belgen lopen hier met een Belgisch strekje aan hun vest, rood geel zwart, en de Franschen met het hunne, alzoo kent men de Belgen, de Franschen en de andere vreemdelingen. Ik krijg hier twee brooden van anderhalve kilo in één week, wat overeenkomt op meer dan 400gram brood per dag, alsook een stukje boter, een stukje worst van twee vingers dik en negen centimeters doorsnee. Ja, ik kan hier het leven houden en met iets erbij te doen van mijn rantsoen.
Ik heb hier met de jongen van Dudzeele en die van Rekkem een wandeling door de stad gemaakt. Ja een stad is het niet. Het is gelijk een woestijn, overal barakken en enkele steenen huizen, één cinema, één café en dat is al. U ziet men moet hier geen geld verdoen.
Die fabriek waar ik in moet werken, is 1500 meter lang; het is een enorme fabriek waarin men verdoold loopt. Morgen moet ik beginnen, dat is dus zondag.
Ik heb gevraagd om te mogen bediende zijn en ze hebben mij geantwoord dat alles in orde komt. Wat ik nu moet doen, weet ik niet, maar ik zal mijn plan wel trekken…
Onderweg heb ik veel Russische en Fransche krijgsgevangenen gezien en ze staken allen hun handen omhoog en wuifden ons toe. Wij zitten hier met 19 man in een barak, hebben allen een kast en een stoel, twee tafels en een groote stoof, met kolen erbij, want die stoof brandt hier nogal als het koud is.
Ik zal nu maar uitscheiden van schrijven, ik weet nog veel nieuws; het is nu tien minuten voor tien in den avond, want ik ben zeer moe van te reizen en heb nog maar in het geheel misschien tien uren geslapen in al die dagen. Ik moet nog mijn bed maken. Mijn beste groeten en tot binnenkort. Hier is mijn adres:

Fernand Ghyselen
Stadt des K.D.F.Wagens
Gemeinschaftslager 22/64
Nieder-Sachsen
Deutschland”

Advertenties

One Response to Brieven van een gedeporteerde uit Stadt des K.D.F.Wagens / april 1943

  1. Manon Dhelft schreef:

    ik ben aan het snotteren, die correspondentie heb ik nog nooit gezien. Ik ben blij dat ik ze nu kan lezen…Dank je wel broer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s