Afscheid, een jaar later

Beste aanwezigen,

Ik zal het maar meteen bekennen: dit schrijven is therapeutisch.  

Ik ben na al die jaren nog eens in mijn pen gekropen om te schrijven en wat ik schreef aan jullie voor te lezen.

Wie schrijft, die blijft; wat betekent dat we schrijven om onszelf aan de vergetelheid te ontrukken. Vandaag heb ik dit geschreven in een poging, papa, om jou aan die vergetelheid te ontrukken. De vergetelheid die ons allemaal te wachten staat.

Jij,  papa, bleef ook schrijven tot op  het laatst.  8 mei stond elk jaar in je agenda aangekruist;

Ook dit jaar had je zorgvuldig je speech voorbereid voor de verzamelde vaderlandse verenigingen, bij de gedenksteen van de gedeporteerden en werkweigeraars voor het station in Brugge. Maar wat je schreef met je steeds iets minder gekrulde, sierlijke letters, heb je ook niet zelf meer kunnen uitspreken. Je voelde je onzeker, je krachten in jouw anders zo sterke lichaam waren al ondermijnd, door een sluipend gezwel, waarvan je het bestaan gelukkig nooit hebt kunnen vermoeden.

Je schreef,  aan je rolstoel geplakt; onzeker geworden of je schuifelende stap niet plotseling zou stokken, want dat was al enkele keren gebeurd en je had er geen verklaring voor… Je wist niet hoe het kwam. Niemand niet.

Vorige week maandag dan woedde er plots een niet te bedwingen elektronenstorm  door jouw zieltogend lichaam, drie dagen lang. Zinloze pijn en uitputting, waarbij ik alleen maar kan hopen,  dat je er niets van hebt gevoeld… Pas woensdagavond laat ging die hersenstorm liggen.  Ik blijf achter met vragen en ergens ook wel het schuldgevoel:

Waarom wou je geen gebruik maken van het in dit land en in de wereld vrijwel unieke  individueel  recht op Waardig Sterven? Als deskundige op het vlak van familiaal en privaatrecht heb je die kans niet te  baat genomen. Waarom papa?

En had ik er vooraf niet met jou moeten over praten? Waarover praatten we dan wel de voorbije maanden? Het krasselende Club, jouw kleinkinderen, waarnaar je interesse wel onverminderd bleef voortduren…

Ik zat met die vraag en botste bij mijn zoektocht doorheen al je paperassen op een foto:

Een foto van de inhuldiging van de gedenksteen voor gedeporteerden en werkweigeraars. In die steen staat de volgende tekst gebeiteld:

,,De moed van een mens meet men niet in makkelijke, maar in moeilijke tijden…’’

Die ene zin typeert ook jou, papa, ten voeten uit. Je was niet iemand die snel opgaf, zeker niet de laatste maanden, toen je zelfredzaamheid afnam.

Ook professioneel bleef je altijd zoeken naar de gunstigste, meest correcte oplossing in de talloze, vaak complexe, onontwarbare familiekwesties die jou voor de voeten werden geworpen: de regeling van nalatenschappen, boedelscheidingen, verdelingen en onverdeeldheden, en wat weet ik nog allemaal.

Dat was jouw job: eerst bij de Brugse notariskantoren Van Ortroy en Vanderhofstadt en later werd je als ,,specialist van de zogenoemde moeilijke, vaak jarenlang aanslepende zaken’’ binnengehaald in het kantoor van notaris Van Caillie.

Die gedenksteen daar aan het station en waarom je er mee voor geijverd hebt dat die er kwam, samen met het oorlogspensioen en de fiscale vrijstelling ervan. Als we daar op doorgaan dan wordt het een heel lang verhaal. Ik beperk me tot die ene mijmering: wat moet het spannend geweest zijn?! om als negentienjarige werkweigeraar tijdens die Tweede Wereldoorlog elke nacht te gaan slapen onder een hooimijt ergens te velde in het landelijke Langemark; je verstoppen voor de Moffen en overdag meedraaien in de handel van nonkel Léon en tante Lisa, die jou onderdak en bescherming boden, alsof het hun eigen zoon betrof… Heel die Westhoek en dat oorlogsverleden daar ben je nooit van losgeraakt. De Westhoek en de skreeve lagen je zeer nauw  aan het hart. Je keerde er vaak terug om er te gaan mijmeren bij soldatengraven.

Papa, als je niet voor één of andere zaak aan de slag was, dan was je vooral een ,,family’’-man, een buurman, een tuinman en een Club Brugge-fan.

Laat ons eerlijk zijn, papa, Club ging niet toevallig aan het krasselen, toen je drie jaar geleden je abonnement opzegde, omdat je met je pijnlijke knieën de tribunetrap niet meer op kon. Ik onthoud vooral de glorierijkere tijden, toen ik – voor één keer, en echt: nadien is dat nooit meer gebeurd – met jouw toelating de school mocht spijbelen. Met vier tot aan de nok volgeladen ferryboten trokken we vanuit Oostende richting Londen voor de finale van de Champions League. We zouden eventjes Wembley gaan veroveren… Ik denk niet dat hier ooit nog één Belgische ploeg in zal slagen. Mama was maar wat blij dat ik die dag met jou meetrok; je had es iets moeten krijgen aan je hart…

Dat  hart van jou klopte ook voor de tuin. Eén moestuin achteraan het huis was niet genoeg. Het laatste onbebouwde perceel in de Burggraaf de Nieulantlaan, rechttegenover je voordeur, was een echte volkstuin, die naam waardig. Symbolisch of niet: maar straks – je zal het niet meer meemaken – wordt ook dat laatste perceel na vijftig jaar volgebouwd. Samen met de Borremans, de Aspeeles, de Cleenewercks, Gerard van de beenhouwerie en zelfs de pastoor van Willibrord, werden er groenten gekeurd en met elkaar vergeleken. Zaden uitgewisseld; nieuwe variëteiten en rassen uitgeprobeerd. Als je de verhalen van sommige recordopbrengsten mocht geloven, waarmee je thuiskwam,  dan was de totale oogst groot genoeg om half Sint-Andries van groentjes te voorzien.

Heel het jaar door hadden we – dankzij jou – verse, uit de tuin geplukte groenten op tafel.

Want papa: je was vooral ook een Familyman: de reunie die je organiseerde voor alle  Ghyselens  in Vlaanderen en neem er maar Frankrijk erbij. Neven en nichten waarvan we nog nooit gehoord hadden, kreeg je bijeen.

Op familiebijeenkomsten hield je van lekker tafelen; van jou heb ik wijn leren drinken en na het overvloedig tafelen sigaartjes leren roken en als we op reis trokken, gingen we vaak op hotel; ook voor culinair wonder Irène  mocht het eens vakantie zijn… Zij wist als geen ander dat de liefde bij jou ook door de maag ging.

Die reisbestemming was heel vaak la douce France: familierelaties, de Ghyselens die er waren blijven plakken na te zijn gevlucht voor de oorlog en waarmee jij contact bleef houden…

Ik kan hier dan ook alleen maar eindigen met die schitterende Franse, surrealistische dichter Jacques Prévert:

In één of andere bundel schrijft hij ergens:

“la vie est une cerise
La mort est un noyau
L’amour est un cerisier”

Het leven is een kers, (dus : om van te snoepen);

De dood is een harde kersenpit (dus: zo hard dat je er je tanden op stukbijt en dus snel uit te spuwen);

Maar de liefde is een kersenboom; wat doet zo’n kersenboom? prachtig bloeien in de lente, overdadig veel kersen afleveren in de zomer en mooi verkleuren in de herfst, elk jaar weer opnieuw.

Papa, ik wil je bedanken voor die liefde van de kersenboom.

Brugge, 11 juni 2009

2 Responses to Afscheid, een jaar later

  1. esra betül ergül schreef:

    hello,ım teacher from turkey, we are interesting your cominius project.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s