Terug naar Skrantaskolan

Over meertaligheid in ‘t onderwijs: troefkaart in Zweden; molensteen om de nek in Vlaanderen

In 2013 was ik met een groep van twaalf leerlingen van mijn atheneum in Karlskoga te gast. Karlskoga is een provincienestje van een kleine 30.000 inwoners in Midden-Zweden, Värmland. Het ligt op drie uren rijden van de Zweedse hoofdstad, halverwege een rustige tweevaksbaan die naar Oslo voert. Je zit er middenin de natuur van waters en bossen en er valt behalve het lokale ijshockeyteam, het Alfred Nobelmuseum en een eland die onverwachts de weg oversteekt, zo goed als niets te beleven.

Maar zelfs daar was er wel wat migratie. Dat konden we vaststellen in de lokale middenschool Skrantaskolan (comprehensief onderwijs tot je zestiende), waarmee we de uitwisseling organiseerden. De Zweden hebben natuurlijk oplossingen voor alles, dat ligt in hun pragmatische natuur. Ze vangen per inwoner relatief tien keer meer vluchtelingen op dan wij Belgen en doen er ook nog eens de nodige inspanningen voor, opdat de kinderen van deze nieuwkomers vlotjes hun weg vinden in het onderwijs, zonder meteen uitgesloten te worden als tweederangsburgers. Ze hebben een vrij consequent spreidingsbeleid, zodat er ook in het landelijke, provinciale Karlskoga met de regelmaat van een klok contingenten asielzoekers neerstrijken. In de week dat we er waren kwam er net een groep van een twintigtal minderjarige jongens uit Somalië toe, die een plaatsje moesten vinden in de Skrantaskolan, maar niemand die daar druk over deed; de stress was die van een koele midzomernacht, waarbij een kano bewegingloos in het rimpelloos watervlak van een Zweeds meer drijft. De leerkrachten hadden de week ervoor een avondje navorming gekregen over de sociaalpolitieke situatie in dat land en de lokale gewoonten en de cultuur in Somalië en dat volstond voorlopig voor de opvang tijdens de eerste week.

Het viel mij allemaal opnieuw te binnen, deze week.

Vooral toen onze onderwijsminister Hilde Crevits dacht vorige zondag de allochtone moeders en vaders te moeten sensibiliseren tot meer ouderparticipatie in ons onderwijs. Ze verslikte zich in een paar generaties allochtonen meer of minder.  Dat onderwijs heeft – laat ons eerlijk zijn – in 90% van de gevallen liever geen ouders als pottenkijkers op school, behalve als het dan is, om geld te storten, wafels of pannenkoeken te bakken, of spaghetti te vreten, ten voordele van de armlastige schoolbegroting, die anders niet meer in evenwicht is te krijgen.

En dan was er nog eens een paar parlementaire debatten later de modelburgemeester van deze wereld die vond dat Crevits nog niet ver genoeg ging en gasboetes voorstelde voor ouders die tijdens oudercontacten spijbelen. Na een nachtje slapen trok hij zijn sanctie alweer in, maar het kwaad was intussen geschied. Allemaal loze krachtpatserijen – om het rechtst – op de rug van die bevolkingsgroepen die het al niet gemakkelijk hebben in onze dualiserende maatschappij.

Wat doen de Zweden? De foto in de gang van Skrantaskolan, plotseling herinnerde ik ze mij weer. Ze stond me helder voor de geest, alsof ze gisteren pas genomen was. Het organigram met de fotootjes van kopjes van leerkrachten en al wie een functie had in de school. Een school met pakweg veertig leerkrachten. Vijf daarvan geven moedertaal, jawel. Toen ik die kopjes onder de hoofding ,,moedertaal/,,Modersmoal’’ zag, viel mijn Zweedse kroon pas. Deze school had leerkrachten Arabisch, Chinees (twee zelfs), Servo-Kroatisch, Bosnisch, Vietnamees  in dienst. Wat deden die mensen op school? Leerlingen met een andere herkomst dan de Zweedse kregen tijdens extra-uren in hun moedertaal een vak uitgelegd: dat kon wiskunde zijn, natuurwetenschappen of Zweeds, om het even welk vak waar ze last mee hadden; remediëring op maat dus, maar in de thuistaal van de leerling.

Het gaat erom dat het Zweeds onderwijssysteem de thuistaal of de moedertaal van de anderstalige nieuwkomer niet alleen waardeert, door ze een plaats te geven op school, maar handiger nog: je gebruikt de thuistaal als stapsteen, als fundament, als middel om leerlingen te helpen om mee te zijn met de algemene vakken. Het is het ei van Columbus, meertaligheid waarderen en gebruiken; maar voor ons Vlamingen is het te simpel als recept. Wel integendeel: 8 op de 10 leerlingen hangt nog steeds een sanctie boven het hoofd als ze op school een andere taal spreken. (1) En nog is het niet genoeg: nu gaan we ook nog eens de ouders straffen?

Vlamingen zien meertaligheid doorgaans niet als positief. Ze focussen liever op ,,taalachterstand’’.   Het woord alleen al: achterstand in taal: ,,Jij hebt een achterstand in het Nederlands en je moet die inhalen en wat meer is: je hebt eigenlijk die achterstand, omdat je thuis onze taal onvoldoende spreekt; je ouders doen dat niet; ze zijn nalatig daarin en dan komen ze ook nog eens niet naar het oudercontact, enzovoort. We zeggen dit op 101 manieren, liefst een beetje verwijtend, zodat het des te dieper snijdt in de identiteit van de nieuwkomer. Die nieuwkomer moet zich maar assimileren; hij moet volledig Nederlandssprekende Vlaming worden in onze fascistische monocultuur, zijn oude identiteit afgooien en de manier bij uitstek om dat te doen is hem kwetsen in zijn taalgevoel; hem het gevoel geven, voortdurend, dat zijn eigen taal waarmee hij hier toekwam, geen sikkepit waard is en dat hij tekortschiet voor de taal van Hadewijch en Hendrik Conscience. ,,Achterstand’’ wordt gelijkgesteld met ,,achterlijk’’.

Verder dan dit stigma geraken we nu al twintig, dertig jaar niet, met al onze deskundigen in taalbeleid, onze taalkoffers, vol taalcompetenties en leerplandoelen, met al onze taalbeleidsplannen, waarin we vinkjes zetten in de vakjes naast de inhoudsloze taaldoelstellingen, soms alleen maar om de taalbeleidscoördinator een pleziertje te doen. Intussen maken we het zelfbeeld van de nieuwkomer-leerling kapot en mag hij via het watervalsysteem zo snel mogelijk afzakken naar het BSO, waar niemand, als je het systeem een beetje kent, zomaar graag zijn kinderen naartoe stuurt. Daar zitten Fatima of Mohammed als ze  dertien geworden zijn, op hun plaats (?), om vervolgens als tweederangsburger te radicaliseren.

Waarom doen we dat? We koesteren als underdogs een cultuur die eeuwenlang zelf geen spreekrecht kreeg, door opeenvolgende vreemde bezetters. Als er zoiets als een collectief onderbewuste bestaat,  dan werkt dit sterk genoeg door, om niet als een assertieve, zelfbewuste gemeenschap door het leven te gaan, zonder open geest in een snel evoluerende wereld.

Middenin een keergolf van protectionisme lijkt ons piepklein taalgebiedje bedreigd in een globaliserende wereld. Onze taal dreigt niet alleen weggespoeld te worden door een soort van universeel geworden Engelse tsunami; meertaligheid wordt niet meer gezien als een troef of een rijkdom, maar veeleer als een bedreiging. We haten zelfs onze tweede landstaal, die veel muzikalere, prachtige taal van Molière. Maar Frans is als landstaal wettelijk nog altijd verplicht, en dus stampen we vanuit ons onverdraaglijk laag zelfbeeld  naar onderen, naar die nieuwkomers, tweede, derde generatie, speelt geen rol: alles wat hier vreemd toekomt. Een redelijk primaire afweerreactie, die tegelijk een uiting is van onze eigen collectieve zwakte; we kloppen onszelf even wat steviger op de borst, om onze onmacht te verbergen om iets aan de achterstelling te doen, blaming the victim is dan gemakkelijker. Een vergelijkend sociaal onderzoek van de Nederlandse Taalunie wees uit dat Vlamingen zich relatief meer dan Nederlanders ergeren aan een vreemde taal, op straat, op de bus, in het openbare leven (2). Het Zweeds is numeriek in de wereld nog meer een minderheidstaal dan het Nederlands, maar Karlskoga oogt op school veel minder provinciaal dan pakweg Torhout of Oudenaarde. Er is tenminste diversiteit in het lerarenkorps; bij ons niet. (3)

(1) http://taaluniebericht.org/node/771

(2)  Maar liefst 50 procent van de Vlamingen vindt het aanhoren van exotische klanken in hun eigen omgeving vervelend. Een enquête van de Nederlandse Taalunie heeft dit uitgewezen. Uit het onderzoek blijkt ook dat Nederlanders juist weer wél gesteld zijn op vreemde talen rondom zich. Volgens de Taalunie kruiste 54 procent van de Nederlandse deelnemers ‘leuk’ aan bij de vraag naar de mening over anderstaligen op straat. 30 procent gaf aan dit ‘niet prettig’ tot een ‘beetje bedreigend’ te vinden. Bij de Vlaamse deelnemers was dit respectievelijk 24 en 26 procent.

http://www.volkskrant.nl/wetenschap/exotische-talen-op-straat-ergeren-vooral-vlamingen~a3034028/

(3) ,, ‘Allochtone’ ouders stigmatiseren is niet de oplossing. Wat de Vlaamse regering moet doen is werk maken van een grondige hervorming van het onderwijssysteem en problemen zoals het gebrek aan diversiteit in het lerarenkorps en het watervalsysteem aan te pakken,’’ schrijft Sandrine Ekofo ( http://www.knack.be/nieuws/belgie/in-plaats-van-te-polariseren-moet-beleid-focussen-op-ondersteuning-voor-kwetsbare-ouders/article-opinion-825291.html?utm_campaign=Echobox&utm_medium=social_trends&utm_source=Facebook#link_time=1489311532)

Advertenties