Giorgio Bassani (2): het graf van de Finzi-Contini’s.

Reeds in de proloog van zijn roman situeert Bassani zijn verhaal bij de joodse begraafplaats. Voor hem is het de ideale locatie om er zijn ,,roeping voor de eenzaamheid’’ te verduidelijken.

,,Maar daar, in de rust en de loomheid… keerde ik in gedachten nog eenmaal terug naar mijn jeugd, naar Ferrara en de joodse begraafplaats aan het eind van de via Montebello. Ik zag de grote velden met de verspreid staande bomen en de grafstenen en zuilen dicht langs de ringmuur en, alsof ik er pal voor stond, de monumentale graftombe van de Finzi-Contini’s. Een lelijke graftombe,… maar niettemin imposant, en alleen daardoor al tekenend voor het aanzien van de familie.’’

,,Meer dan ooit kromp mijn hart ineen bij de gedachte dat in die graftombe, die opgericht was om de eeuwige rust van de opdrachtgever en zijn nakomelingen te verzekeren, slechts één van alle Finzi-Contini’s die ik had gekend en liefgehad deze rust had gevonden. Want alleen Alberto, de oudste zoon, die in 1942 stierf, was er begraven. Niemand weet of Micol, haar vader professor Ermanno, haar moeder mevrouw Olga en mevrouw Regina, de oude verlamde moeder van mevrouw Olga, die allen in de herfst van 1943 naar Duitsland zijn weggevoerd, ooit ergens een rustplaats hebben gevonden.’’  (1)

P1060789a

Het graf van ,,Micol”.

 

De vrouw die model stond voor Micol, ligt wel degelijk begraven onder één van de tombes. Aan de geschiedenis van de graftombe wijdt Bassani bij de start van het eerste deel van zijn roman bijna twee pagina’s. Dit stelt hem in de gelegenheid om de aan Micol en Alberto voorafgaande generaties Finzi-Contini te schetsen.

,,De graftombe was groot, massief en werkelijk indrukwekkend; een soort tempel, half klassiek,  half oosters zoals met die tot voor kort in onze theaters zag bij de opvoeringen van Aïda of Nabucco. Op een andere begraafplaats, bijvoorbeeld op het aangrenzende gemeentelijke kerkhof, zou een dergelijk graf niet opvallen. Het zou opgaan in de massa en waarschijnlijk onopgemerkt blijven. Maar op onze begraafplaats was het enig in zijn soort en sprong daardoor dadelijk in het oog, ook al lag het ver van de ingang aan het einde  van een verlaten veld waar al meer dan een halve eeuw niemand meer werd begraven. Het was Moisé Finzi-Contini geweest die aan een vooraanstaand professor in de architectuur, die meer van dergelijke ondingen op zijn naam had staan, opdracht had gegeven het te bouwen… Naar alle waarschijnlijkheid had men de vooraanstaande professor in de architectuur carte blanche gegeven. Met al dat prachtige marmer waarover hij kon beschikken – wit marmer uit Carrara, vleeskleurig marmer uit Verona, grijs marmer met zwarte aderen, geel marmer, blauw marmer, groenachtig marmer – was hij op zijn beurt kennelijk de kluts kwijtgeraakt.

Het resultaat was een onvoorstelbare mengelmoes, met de architectonische invloeden van het mausoleum van Theodorik in Ravenna, de Egyptische tempels in Luxor en de Romeinse barok, en bovendien nog een verwijzing naar het oude Griekse Knossos in de gedrongen pilaren van de zuilengang. Maar in de loop der jaren had de tijd, die alles op zijn eigen wijze ordent, enige harmonie geschapen in deze wirwar van uiteenlopende stijlen…

Daarna was het onderhoud van het familiegraf… in minder zorgzame handen overgegaan, waardoor het schoonhouden, het opknappen en het repareren van beschadigingen en het beteugelen van onkruid achterwege waren gebleven. Zo konden de pollen donker gras, bijna zwart en bijna even hard als metaal, de varens, de brandnetels, de distels en de klaprozen onbelemmerd oprukken en de graftombe overwoekeren. Toen ik als kind in 1924, 1925 ongeveer zestig jaar na de inwijding, voor het eerste de graftombe van de Finzi-Contini zag (,,Echt een gruwel’’, zoals mijn moeder, die mij bij de hand hield, altijd zei), zag deze er al bijna net zo uit als nu, want sinds lange tijd had niemand zich erom bekommerd. Half weggezonken in het wilde gras is het eens zo gladde en glanzende marmer dof geworden door het opgehoopte stof, en vooral het dak en de buitentrap zijn aangetast door felle zon en vorst. De graftombe scheen toen al geworden tot iets kostbaars, iets geheimzinnigs, zoals alles dat lange tijd bedolven is geweest een ander aanzien krijgt.’’  (2)

P1060792a

,,Daarna was het onderhoud van het familiegraf… in minder zorgzame handen overgegaan, waardoor het schoonhouden, het opknappen en het repareren van beschadigingen en het beteugelen van onkruid achterwege waren gebleven.”

Op die plaats, tegen de stadswal aangebouwd, lagen de Finzi-Contini’s afgezonderd van de rest. Bassani schrijft daarover:

,,Wie weet hoe en waarom een roeping voor de eenzaamheid ontstaat. Eén ding is zeker: dezelfde afzondering, dezelfde afscherming waarmee de Finzi-Contini’s hun overledenen hadden omringd, omgaf ook hun andere huis aan het eind van de Corso Ercole I d’Este.’’

Hiermee wordt het huis dat de doden herbergt, het huis van de nog levende doden. Het verhaal verhuist dan pas naar de parktuin van de Finzi-Contini’s.

———————-

(1) Giorgio BASSANI, ,,Het verhaal van Ferrara. Verzameld werk’’, p.249 (Meulenhoff, Boeken van de Eeuw).

(2) idem, p.251-2.

Advertenties