Giorgio Bassani: il Cimitero Ebraico

Wie de Cimitero Ebraico in Ferrara bezoekt, stapt onvermijdelijk in de roman ,,Il Giardino di Finzi-Contini’’. Als we aanbellen aan de Via Vigne, opent een oude Joodse dame de voordeur van de conciërgewoning bij de begraafplaats met de monumentale toegangspoort. Uit ervaring weet ze al dat we voor het graf van Giorgio Bassani en de Finzi-Contini’s komen. We zijn voor haar geen bekende gezichten, wel de bezoekers van een literair monument. Je wordt gevraagd je zonnehoed op te houden; anders krijg je een papieren keppeltje opgespeld; de vrouwen mogen blootshoofds binnen.

,,Je volgt de laan helemaal tot op het einde, waar er geen grafstenen meer zijn, daar ga je rechtsaf en dan opnieuw links door het gras volg je een pad tot op het einde, tot aan de buitenmuur. Daar vind je de schrijver,’’ zegt ze ongevraagd met de deur in huis vallend. ,,De Finzi-Contini’s liggen een paar tientallen meter verder. De naam Finzi-Contini ga je niet vinden, wel die van Finzi-Magrini. Het graf van Micol is het meest linkse, met de naam Giuliana Magrini erop, de enige van wie er stoffelijke resten terugkeerden uit de kampen. Haar broer Alberto was in werkelijkheid Umberto, hij stierf net zoals in het verhaal, net voor de deportaties in 1942; de anderen werden in september ’43 opgepakt door de fascisten en uitgeleverd aan de Duitsers. De schrijver had concrete personen voor ogen bij het schrijven van zijn verhaal, maar veranderde om begrijpelijke redenen lichtjes de namen. Bassani werd in hun buurt begraven.’’

Dat laatste is merkwaardig. Het verhaal is er een van aantrekking en verwijdering. Wie het leest, vermoedt een sterke autobiografische invloed van de schrijver in de gebeurtenissen: een belevende ik-figuur die in een hopeloze, onbeantwoorde liefde achter Micol aanloopt, tevergeefs. Uiteindelijk liggen ze slechts een paar tientallen meter van elkaar verwijderd in dezelfde grond, in een flink verwilderd park dat nauwelijks de aanblik van een dodenakker heeft. Het is een wijds uitgestrekt weideland, waar het gras hoger opschiet dan de kriskras verspreide, scheefgezakte grafmonumenten. Hier en daar staat een verdwaalde linde, of een eeuwenoude eik of ceder die wat schaduw biedt; soms staan er grafstenen onder, schots en scheef, uit elkaar gerukt: elke systematiek is er zoek. Het uitgestrekte, overwegend hoog opschietende grasland overheerst: de groepen grafstenen vormen kleine archipels hier en daar. Vermoedelijk was er een familiale band, maar die ontgaat ons oppervlakkige wandelaars, die toch maar uit zijn op het wedervaren van één familie.

Die ongemaaide weide is het landschap van een versnipperde, uitgewaaide, uitgeroeide gemeenschap, een aporetische plek. Velen keerden nooit terug; ook niet om te sterven en begraven te worden in Ferrara: hun 180 namen staan in de muur van de synagoge in de Via Mazzini. Ze beëindigden hun leven in de Vernichtungslager van het nazisme.