La Superba sempre la Superba (2)

Op tweede Nieuwjaarsdag nog eens keer in Genua geraakt. De stad likt nog altijd zijn wonden opgelopen door het drama van augustus vorig jaar. De brug waait op een gigantisch fotodoek heen en weer op het binnenhof van het Palazzo Ducale, omgeven van zalvende poëzie. Alleen stadsdichters vieren hoogtij bij zoveel miserie.

In de stad is het tegelijkertijd al lente en in de zon geraakt de thermometer boven de 20°C. Nu en dan blaast een stevige wind recht uit zee die illusie weer weg. Zo vlotjes als je de stad binnenrijdt, zo’n lijdensweg wordt de uittocht. Je mist één nietig richtingaanwijzertje met Ventimiglia en voor je het weet zit je op de hoofdweg naar Alessandria en Milaan, met nog maar ternauwernood de mogelijkheid om er opnieuw af te geraken. We deden in een extra anderhalf uurtje dan ook alle perifere, westelijke randgemeenten rond de stad aan – Sampierdarena, Bolzaneto, Rivarolo, Cornigliano – om uiteindelijk aan de oprit van het vliegveld te geraken en de ons meer vertrouwde autostrada dei Fiori (A10). Een autostrade die plots een zucht van verlichting bood.

Daarbij belandden we op zeker ogenblik ook langs de bedding van de Polcevera – niet goed wetend of we nu de juiste richting hadden of niet en op intuïtie en goed geluk af, want de gps had de doorgeknipte autoweg ten westen van de stad duidelijk niet ingecalculeerd. En plots als enige herkenningspunt doemden daar hoog boven ons in het duister, vaag afstekend tegen de nachtelijke hemel, de twee afgebroken bruggenhelften van de Morandi op, akelig als galgen of waren het de alles vermorzelende kraanarmen (?) van gebroken, gewapend beton, omhoog wijzend naar… ja, naar wat eigenlijk, een groot gat in de lucht? Deze week worden ze gelukkig afgebroken en verdwijnt het litteken voorgoed uit deze anders prachtige stad.