Aan de herauten van het kunstbashen

In het spoor van zijn Nederlandse collega is de Vlaamse cultuurminister Gatz van plan een kaalslag door te voeren in de culturele sector. De grootste reactie kwam er van een platform van het cultureel middenveld ,,Hart boven hard’’, dat enkele honderden socioculturele organisaties verenigt en er was recent ook de Erasmusprijs voor Frie Leysen, die in haar dankwoord de roede niet spaarde en zei waar het op stond. In een klimaat van verrechtsing, nationalisme en commercialisering kunnen welvarende landen als België en Nederland beter dan een beleid waarbij de kunstensector straks op droog zaad zit. Tegelijkertijd had ze de moed in eigen hart te kijken: ,,Zijn de kunsten niet te ver meegegaan in politieke, economische, diplomatieke, behaagzieke logica’s? Laten we ons niet te veel voor de kar spannen van de politiek om problemen op te lossen die de politiek zelf niet geklaard krijgt, zoals sociale achterstand, migratie, racisme? Problemen die de kunsten niet zullen/moeten/kunnen oplossen. Ook de modieuze “participatieve kunst”, of het “iedereen kunstenaar!” niet. Niet iedereen is interessant, en zeker niet iedereen is kunstenaar. Rechtvaardigen we onszelf niet te veel met cijfers en economische argumenten in de plaats van inhoudelijk-artistieke? Hebben we onszelf niet te veel tot entertainers gereduceerd, die braaf de regels van managers, marketeers en boekhouders volgen in plaats van de stoorzenders en inspiratoren te blijven die we moeten zijn?’’ Het zijn pertinente vragen van iemand die al decennia lang als cultuurbemiddelaar in heel West-Europa haar eigenzinnige gang gaat in de podiumkunsten en daarvoor ook internationaal lof toegezwaaid krijgt.

Tom Naegels vond in DS dat dit zelfonderzoek niet ver genoeg ging en riep vorig weekend in één beweging door ,,Het einde van de kunstenaar’’ uit (DS, 15/11/2014), ten dode opgeschreven zoals de walvis als diersoort en hij kreeg hierop van de weeromstuit een reactie van de kersverse voorzitter van de commissie cultuur in het Vlaams Parlement Bart Caron: ,,De kunstenaar is lang niet ten einde. ’’ (1) Het debat heeft wel enige behoefte aan afbakening: de kunsten, de kunstensector, de kunstenaar, de kunstbemiddelaar (intendant, curator, conservator, kunstmanager…), over wie gaat het eigenlijk?

Frie Leysen spreekt enkel over ,,de kunsten’’ en ,,ons’’. Bij mijn weten is ze een artistiek leider, intendant, festivaldirecteur, zeg maar ,,cultuurbemiddelaar’’, dan wel een scheppend, creatief kunstenaar. Het belet Naegels niet om alles – en sector, en kunstenaar en bij uitbreiding zelfs heel de ,,culturele wereld’’ – op een hoopje te gooien en onvervaard ,,het einde van de kunstenaar’’ uit te roepen. Te kort door de bocht. Hij zou moeten weten dat Adorno na een Europese brandhaard als Auschwitz ooit het einde van de poëzie uitriep en al vrij snel op zijn stappen moest terugkeren, omdat hij zwaar onder de indruk gekomen was van Paul Celans abstracte lyriek over de ervaringen in de kampen. Het ging hier nog maar over een welbepaald literair genre.

Laat het ons hierbij houden dat elke kunstenaar wel sterfelijk is, maar dat kunstwerken voortleven, zonder de kunstenaar, indrukken blijven nalaten, generatie na generatie. Zoals Caron terecht opmerkt, kunnen we honderden jaar na Bach nog altijd ontroerd worden door zijn cantates, ongeacht wie de uitvoerder van dienst is. De grottenmens van Lascaux had duizenden jaren geleden al behoefte aan heel wat expressie en dat zal nog niet zo snel veranderen.
Even verder neemt Naegels wat gas terug en stelt dat de ,,klassieke visie op de rol van de kunstenaar aan herijking toe’’ is. De kunstenaar is dus toch nog niet helemaal dood, oef!, maar zijn rol moet op een andere manier gewaardeerd worden. Volgens welke maatstaven, dat laat hij wijselijk in het midden. In ieder geval is het niet meer de rol van ,,dwarsdenker’’ of die van het beïnvloeden van ,,stemgedrag, de hoogte van subsidies en zelfs het politiek beleid inzake cultuur.’’ Dit is een vrij eenzijdige, om niet te zeggen armzalige visie op de rol van de kunst in onze maatschappij. Cultuurbemiddelaars die de brug proberen te slaan tussen het werk van de kunstenaar en het publiek, zijn natuurlijk wel bezig met de markt (het bereiken van het publiek en als dat publiek niet in groten getale afkomt, is een overheidssubsidie welkom), maar de kunstenaar zelf? Als hij zich daarmee zou bezig houden, komt hij gewoon niet meer aan creëren toe.

Maar Naegels doet er nog een schepje bovenop: de kunstenaar hangt met zijn subsidiehonger ook nog eens de mysticus uit en als het dat niet is, positioneert hij zich ook nog eens al te eenduidig in de ideologisch linkse kerk, een afgezaagd liedje, aldus de stukjesschrijver. We kunnen hier alleen maar uit afleiden dat Naegels weinig gesnopen heeft van wat de kunsten na WO II hebben voortgebracht. Kunst kan een ideologische boodschap bezitten, maar sinds de jaren ’30 mijden veel kunstenaars die valkuil; vanuit het besef dat de taal toen zelf leugenachtig geworden is, ontwerpen ze liever een eigen taal en logica, vaak abstract, soms moeilijk te doorgronden, wat dan weer de noodzaak aan bemiddeling doet toenemen. Dit is geen zelfverheerlijking, maar het vrijwaren van de kunst als een praktijk die zich niet zomaar laat vatten of voor één gat te vangen is; het is veeleer kritische distantie tegenover het leven van elke dag, waarin we al te vaak gevangen zitten. Terwijl de kunst ons herinnert aan ,,une promesse de bonheur’’… Geen ,,vrijstaat, die ze mogen hebben,’’ zoals Caron stelt, omdat ook een vrijstaat nog ,,grenzen’’ veronderstelt. We leven niet meer in Plato’s utopie, waar kunstenaars bepaalde spelregels moesten respecteren, om niet uit de stad verbannen te worden. Kunstenaars hebben die vrijheid gaandeweg veroverd; in de 19de eeuw is kunst autonoom geworden.

,,Mythemaker'' Rothko in Tate Modern.

,,Mythemaker” Rothko in Tate Modern.

Wellicht is het die argeloze, van elk maatschappelijk nut ontheven, duur verworven vrijheid in de kunsten die de nijd en het ressentiment van de filister in Naegels oproept. In een totaal verdinglijkte en verzakelijkte, neoliberale maatschappij van ,,voor wat, hoort wat’’ wekt zo’n vrijhaven alleen maar afgunst op. Niet voor niets voelt de auteur zich daarentegen wel intellectueel geprikkeld door de geschriften van de rechtse ideoloog Matthias Storme die tot op vandaag nog altijd moeite heeft met het aanvaarden van de multiculturele maatschappij als sociologisch gegeven. Openheid voor het andere, dat wat niet volkseigen is, maar volksvreemd, niet in de instrumentele logica past, maar getuigt van een andere rationaliteit, is moeilijk denkbaar voor deze heren. Dwarsdenkers worden dan al gauw nestbevuilers.

Het gaat hier zelfs niet over een algemeen geworden rebellie, zoals Naegels verkeerdelijk denkt. Iedereen rebelleert – zowel rechts als links – en dus heeft de zogeheten linkse kunst zijn revolutionair potentieel verloren, poneert hij nog. Quod non. Zijn eerste denkfout bestaat hierin dat hij ontkent dat er vandaag in Vlaanderen wel degelijk een rechtse culturele hegemonie heerst (sinds 25 mei dan toch), die je allesbehalve rebels kunt noemen, maar die op cultureel vlak zeer conservatief en elitair is. Omdat Naegels heel de kunstensector ideologiseert, is hij niet bij machte om die kunstvormen te beschrijven die zich daaraan hebben onttrokken. Met zijn esthetische opvattingen is hij blijven hangen in de jaren ’30, waarbij kunst gezien wordt als politiek wapen tegen hetzij het fascisme, hetzij het communisme… Ongetwijfeld een boeiende periode op het vlak van de esthetica, maar de kunst is dat hoofdstuk al lang ontgroeid.

Reclametheorieën over de ,,unique selling position’’ van kunst, vanwaar haalt hij het dat deze ooit toepasbaar zouden zijn geweest op kunst? Of de kunstensector als maatschappelijke instelling, een instituut zoals de katholieke kerk? De legitimiteit van de kunst? Ik denk niet dat het ooit de pretentie geweest is van welke kunstenaar dan ook om zich politiek te gaan legitimeren. Als de kunst zich ooit ergens moet legitimeren, dan is het net in totalitaire systemen. Misschien is dat net de bedoeling van de nieuwe regering. Is Hugo Claus opeens een instituut geworden? Zijn wisselbeker? Had hij nog geleefd, dan had hij die wisselbeker allicht uitgereikt aan de Vlaamse journalist, de ,,wonna be’’ zalm van tegenwoordig, waarin onze DS-redacteur blijkbaar wel nog vertrouwen heeft, maar die in werkelijkheid meezwemt met de waan van de dag. Neen, geef mij dan maar de walvis van Frie Leysen. (2)

De manke vergelijking met het instituut kerk is toch niet helemaal fout, maar dan vanuit een heel andere optiek. Ze doet bij mij alvast één lichtje branden: dat waar kunstcriticus Robert Hughes de moderne musea overal ter wereld – het Louvre, Guggenheim, Tate Modern, Uffizi, Prado… etc. en hun blockbustertentoonstellingen – vergelijkt met de kathedralen uit de Middeleeuwen. Moderne mensen staan er als bedevaarders urenlang in rijen aan te schuiven, op zoek naar een glimp van die esthetische ervaring, op zoek naar schoonheid, het sublieme, een reflectie, een dieper inzicht, een stukje verwondering/bewondering, dat in onze dolgedraaide, door beeldenstormen geteisterde maatschappij, nog maar moeilijk te vinden is. Mensen hunkeren naar het schone. Kunstenaars zijn soms ten einde, maar hun kunstwerken die ze nalaten, blijven mensen aanspreken.

———————
(1) Naegels en Caron: http://www.bartcaron.be/de-kunstenaar-is-lang-niet-ten-einde/
(2) Dankwoord Frie Leysen: http://www.erasmusprijs.org/?lang=nl&page=Nieuws&mode=detail&item=Speech+Frie+Leysen+nu+on-line

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s