Brief aan Hilde (18)

Geachte mevrouw minister,

Gisterenavond laat kreeg ik de officiële bevestiging:

,,Jouw startdatum voor het onderzoek: 29 januari 2018.”

Vanaf die datum mag ik mijn werkuren bijhouden in een dagboekje, dat mij zal aangeboden door arbeids- en onderwijssocioloog prof. Glorieux van de VUBrussel. Hij en zijn onderzoekers werden immers door uw kabinet aangesteld om op objectieve wijze na te gaan wat mijn tijdsbesteding allemaal inhoudt voor mijn job als leerkracht in het secundair onderwijs. In mijn geval – als 55plusser – gaat het om een vier vijfden job in de derde graad.

Ik ben u daarvoor zeer dankbaar, want op die manier kunnen we eindelijk eens de mythe uit de wereld helpen, dat leerkrachten door twintig lesuurtjes voor de klas te staan, toch maar genieten van een voltijdse wedde en daarbovenop nog eens zeeën van vakantietijd erbij krijgen. U is het er immers enkel en alleen maar te doen om die lesuren van 20 naar 22 lesuren te verhogen, allemaal voor hetzelfde loon, waarbij u totaal niet wakker ligt van de pakweg 3.000 à 5.000 jobs die daar – op Vlaams niveau – voor al die jongere, niet-vastbenoemde, TADD’ers en tijdelijke collega-leerkrachten mee verloren gaan. Tot daar de politieke context, die er één is van onophoudelijke bezuinigingen op de kap van leerkrachten en scholen nu al jaren naéén.

Denkt u werkelijk dat u met ,,Het Grote Tijdsonderzoek” de job van leerkracht aantrekkelijk maakt? Rond het onderzoek hangt een zweem van ,,leerkrachten moeten nog meer werken voor hun loon. Met al hun vakantieperiodes hebben ze niet te klagen.”. Ik geef u op een blaadje, mevrouw de minister, dat de resultaten van dit ,,Grote Tijdsonderzoek” als een boemerang in uw gezicht terug zullen geslingerd worden. De reden?

  • Ik heb er net een fantastische doorlichting 2.0 van de inspectiediensten op zitten en ik kreeg individueel als leerkracht voor de klas, een schitterend rapport van mijn doorlichters, maar als vakgroepverantwoordelijke voor mijn afdeling ,,humanities”  en ,,leerkracht met mijn ervaring”, kreeg ik een berg verantwoordelijkheden en extra-taken toegeschoven, die ik er onbezoldigd zal mogen bijnemen. Ik vraag u daarom nu reeds: hoeveel uren mag ik daarvoor aanrekenen?
  • De context waarin ik werk: in mijn relatief kleine school van pakweg dertig voltijdse equivalenten, zag ik in nauwelijks twee schooljaren tijd maar liefst drie dierbare collega’s langdurig wegvallen vanwege een burnout; het gaat om twee veertigers en één vijftigplusser. Ze stonden ogenschijnlijk met volle goesting in het onderwijs, maar de bobijn was opeens af. Ik weet niet wanneer ze terugkeren; misschien komen ze ooit terug, misschien ook niet, wat ik niet hoop. Recentelijk beweerde u nog in ,,De Ochtend” op Radio 1, dat leerkrachten met een burnout perfect halftijds in het onderwijs kunnen herintreden. Daarmee geeft u te kennen dat u de problematiek van opgebrande leerkrachten totaal niet snapt. Of je nu tien, twintig of 22 lesuren voor de klas staat, speelt geen rol. Je moet er elk lesuur staan en wel aan 120%; anders ben je gezien als leerkracht. Het gaat over persoonlijke energie, over ,,grinta”, om deze wielerterm eens te gebruiken. Wie die ,,strijdlust” niet heeft in een lesopdracht van 22 lesuren, zal die ook niet kunnen opbrengen in een lesopdracht van tien lesuren. Lesgeven is geen lineair proces waarbij je met 50% persoonlijke energie perfect een 10/20 lesopdracht zou kunnen afwerken. Zo werkt het niet. Ook die 10/20sten moet je er voor 120% staan. Ik kan u alleen maar aanraden zelf eens voor een paar maanden voor de klas te staan, bij voorkeur niet in de beginmaanden september, oktober, wanneer iedereen nog fris en monter de zaken aanvat, maar bij voorkeur in deze periode, eind januari/februari. Niet toevallig waren er deze week maar liefst acht collega’s ziek (op veertig). Het ,,klassieke wintergriepje”, wordt er dan eens gemonkeld…

Mevrouw de minister, de citroen is nu reeds uitgeperst. Het is hoog tijd voor wat meer realiteitszin. De illusie dat we nog een kans maken om als ,,zwaar beroep” erkend te worden, hebben we al een tijdje geleden opgegeven. Ik raad u aan de resultaten van ,,Het Grote Tijdsonderzoek” au sérieux te nemen. Zonder op die resultaten te willen vooruitlopen, denk ik dat daaruit zal blijken dat een betere, substantiële omkadering van de leerkracht noodzakelijk zal blijken.

Ik had nog een praktisch vraagje: die 15 minuten per dag die ,,Het Grote Tijdsonderzoek” volgens de e-mail van het onderzoeksbureau in beslag zouden nemen, die gaan we gemakshalve maar niet meetellen bij onze tijdsbesteding als leerkracht, zeker? ’t Is maar dat we daar achteraf geen vodden mee krijgen, niet van uwentwege, maar vanwege uw schaduwminister, die dit zou kunnen aangrijpen, om heel het onderzoek in twijfel te trekken. U begrijpt wel wat ik bedoel.

Met vriendelijke groeten,

uw toegewijde leerkracht

Advertenties