Wanneer buiksprekers lallen over kunst…

Als een koning zich geroepen voelt om te waarschuwen voor populisme, is de tijd aangebroken om het proces te maken van de politieke buiksprekers. Eén van de meest bekwame buiksprekers presteert het vandaag om regelmatig de zogenaamde ,,culturele elite’’ in dit land tegen zich in het harnas te jagen. Met welke argumenten dit gebeurt, is niet van belang. Als het maar gebeurt. Ik bezig met opzet liever de term ,,politieke buikspreker’’, omdat het woord ,,populist’’, net zoals in het geval van de term ,,allochtoon’’ vanwege zijn overwegend stigmatiserend gebruik, intussen onbruikbaar is geworden.

De term ,,politiek buikspreker’’ kan in dubbel opzicht betekenis krijgen: vooreerst gaat het om een spreken dat vooral gestuwd wordt vanuit de onderbuik, het menselijk darmstelsel en de luchten of compressies die daar tot stand komen en geenszins door rationele argumenten; ten tweede gaat het ook om politici die hun speeches, columns, oneliners (al dan niet in het Latijn) laten redigeren, respectievelijk regisseren door spindoctors, ghostwriters of deejays, om de eenvoudige reden dat ze niet op elk forum tegelijkertijd even prominent en deskundig aanwezig kunnen zijn. Een kwalijke evolutie, zo blijkt ook nu weer.

Vooral in de tweede betekenis verslikte de buikspreker van dienst zich in het spreken via één van de recentste columns in de kwaliteitskrant DS van zaterdag 22 december jongstleden met als titel ,,Afbreken om op te bouwen. Over de waarde van kunst’’ (1). Algemeen mag worden aangenomen dat het stuk eerder snel – en zonder veel kennis van de kunstgeschiedenis of de esthetica – ingeblikt werd door Joachim Pohlmann, officieel bekend als ,, adviseur cultuur, samenleving, natie en identiteit en speechschrijver’’ voor de N-VA’’. (2) Heel logischerwijs kreeg het stuk het kwaliteitslabel (?) BDW mee, zoals het een kwaliteitskrant als DS betaamt. Maar of de meester-retoricus dit stuk heeft nagelezen, valt zeer te betwijfelen. Ik hoop voor hem van niet en ik raad hem aan het in de toekomst wel te doen, wil hij zichzelf in de toekomst niet langer belachelijk maken.

Eerst wordt er wat aan name-dropping gedaan, zodat de gemiddelde DS-lezer niet hoeft te twijfelen aan het feit dat de meester-quizzer himself aan het woord is: lezer-kenner-liefhebber van een rist klassieke denkers, sociologen en literatoren als daar zijn: ,,Louis Paul Boon, Max Weber, Friedrich Nietzsche, Richard Wagner, E.T.A. Hoffmann.’’ Wie het tegen dan nog niet opgaf om verder te lezen, ontmoet onderweg ook nog eens Karl Marx, kunstpaus Jan Hoet, Theodor W. Adorno, Tom Lanoye en Heinrich Heine. Stuk voor stuk namen om u tegen te zeggen, wereldliteratuur en wereldklasse, niet in het minst voor wie ze allemaal gelezen heeft of deze figuren kan kaderen.

Helaas loopt het al vanaf paragraaf één verkeerd. Al die namen blijken als gezagsargumenten alleen maar nodig om definitief de strijd te beslechten over de naam van het ocharme Koninckspleintje, waar de Antwerpse culturele elite enkele weken geleden een andere naam dacht voor te verzinnen. Tegelijkertijd wordt alles wat met kunst te maken heeft in één beweging op één hoopje gegooid, zogezegd ontmaskerd als: hetzij poenschepperij door het binnenrijven van overheidssubsidies, hetzij postmodern, zinledig geworden gekwaak, waarvoor het grote publiek zou bedanken. (3)

Wie het stuk op zijn theoretische achtergrond toetst, merkt al gauw een aantal ongerijmdheden. Na een nog vrij correcte uiteenzetting over Max Webers onttovering van de wereld anno 1917, koos kunst volgens BDW ,,een andere weg – en terecht, gezien de huidige toestand van het christendom in West-Europa. – Kunst verklaarde zich autonoom van het nutsdenken.’’ Wat die lapsus over dat christendom daar komt doen, soit? De beweging van de kunst na Webers inzichten wordt prompt gekoppeld aan ,,l’art pour l’art’’-begrip. Iedereen die het geluk had wat kunstgeschiedenis of Franse literatuur mee te krijgen in de humaniora, weet dat de ,,Parnassiens’’ en hun l’art pour l’art zich halverwege de negentiende eeuw al afwendden van de maatschappij. Hun kunstreligie bleek een laatste, krampachtige, want vergeefse poging om het sacrale en auratische karakter van het kunstwerk te redden, schreef Walter Benjamin. ,,Les Fleurs du Mal’’ van Charles Baudelaire verscheen zestig jaar voor Webers idee van het doelrationeel handelen en kon er dus onmogelijk het gevolg van zijn, zoals de schrijver beweert. In tegenstelling tot de positivistische sociologie van zijn tijd, weerspiegelde flaneur Baudelaire in zijn poëzie haarfijn ,,de schok van de moderniteit’’. Hij was daar als kunstenaar de sociologie een halve eeuw vooruit.

Voor een goed begrip: 1917 volgt eigenlijk al één jaar na de oprichting van Cabaret Voltaire, waarbij het kunstbedrijf als dadaïsme zichzelf als anti-kunst te kijken zet. Ook de romanticus E.T.A. Hoffmann wordt hier chronologisch en historisch totaal verkeerd geduid. De Parnassiens zetten zich juist af tegen de romantici en hun sociale, morele bewogenheid en kiezen voor het elitaire vormexperiment.

Dat alles is de schrijver-buikspreker ontgaan. Logischerwijs vervalt hij dan ook in de foute conclusie, dat de kunst ,,een hoge prijs zou betaald hebben voor haar autonomie.’’ Welke prijs? De opeenvolgende revoluties in de 20ste eeuwse kunst vanaf het dadaïsme tonen een springlevende, moderne kunst, die zichzelf voortdurend vernietigt, heruitvindt en vernieuwt. De idee van een autonome kunst is allesbehalve een mythe, maar een zorgvuldig te koesteren, filosofische gedachte. Niemand is namelijk gevlucht, niet het publiek voor de kunst – gezien de bezoekersrecords in zowat alle musea en blockbustertentoonstellingen over heel de wereld – en de kunst is nog minder gevlucht voor die maatschappij, wel integendeel. Enkel voor oppervlakkige beschouwers lijkt kunst alleen maar navelstaarderig in zichzelf gevlucht. De waarheid hierover is dat de voortschrijdende abstractie, het experiment, de dodecafonie en het verstommen der taal (Celan), de enige, vormelijke wegen waren waardoor kunst nog bij machte bleek inhoudelijk kritiek te leveren op een monolithische, totaal foute, kapitalistische werkelijkheid (de inhoud), waar de ruilwaarde en de tekenwaarde, de reproduceerbaarheid van alles, het waarheidsgehalte verdrongen. Adorno wordt in bovengenoemde column dan ook (bewust of uit onwetendheid?) uit zijn context gerukt en voor het foute, ideologische karretje gespannen. Zijn uitspraak dat het barbaars was om na Auschwitz nog poëzie te schrijven, nuanceerde hij zelf ontelbare keren nadien via analyses van Becketts ,,Eindspel’’ en de poëzie van Paul Celan.

Der Speerwerfer, een still uit Riefenstahls nazi-propagandafilm ,,Olympia''. Kunst heeft als nut ons de objectieve, maatschappelijke realiteit te leren kennen, vindt ook de N-VA.

Der Speerwerfer, een still uit Riefenstahls nazi-propagandafilm ,,Olympia”. Kunst heeft als nut ons de objectieve, maatschappelijke realiteit te leren kennen, vindt ook de N-VA.

Wie onzin neerpent zoals: ,,Want waarom vinden we kunst belangrijk? Omdat de kunstenaar de maatschappij objectief kan beschouwen en ons zo tot nieuwe inzichten kan brengen. Dat is zijn nuttige functie,’’ (4) huldigt een kunstvisie van het 19de eeuwse realism. Ofwel wat erger is: die blijft hangen in de jaren ’30 van de vorige eeuw: de esthetica van het socialistisch realisme van Stalin, dat het beeld van de Ware, Onverzettelijke Arbeider moest tonen of van de nicht entartete kunst van Hitlers nazi-regime en zijn lievelingscineaste Leni Riefenstahl, die de Duitsers vooral rasechte Ariërs wilden voorspiegelen. Het is de reductie van kunst tot objectiviteit: het weergeven van de herkenbare realiteit, zoals die ,,zou moeten zijn en ook reeds is.’’ Van hier is het maar een kleine stap naar een kunst als uitgezuiverde dienstmaagd van ,,de enige ware Vlaamsche realiteit’’. Adorno stelt hiertegenover dat de enige bestaansreden van kunst nu net haar functieloosheid is: kunst is maar authentiek, daar waar ze zich verzet tegen dit nutsdenken; ze laat de toeschouwer dromen van een andere rationaliteit, dan die van de ,,instrumentelle Vernunft’’; ze bewaart de gedachte aan de utopie. Wanneer de auteur echt kennis had gemaakt met het ideeëngoed van Nietzsche, zou hij weten dat Nietzsches perspectivisme elke waarheidsaanspraak van een ,,objectief schouwende kunstenaar’’ verdacht maakt.

Want tussendoor denkt BDW’s ghostwriter ook nog eens Nietzsche te moeten opvoeren en zijn Wagner-kritiek. Dat mag natuurlijk, maar het is maar een voetnoot in de veel rijkere kunstopvatting van Nietzsche, namelijk zijn invloedrijke beschouwingen over het Dionysische en het Apollinische in de schepping van kunst. Nietzsches kritiek op Wagner wordt hier zeer eenzijdig en verengd als argument opgevoerd om te bewijzen dat kunst creëren – vroeger blijkbaar al niet – en vandaag nog veel minder kan zonder de markt en het geld. Het dogma luidt: ,,Kunst kan dus nooit absoluut autonoom zijn, ze zal steeds afhankelijk zijn van wie bereid is om haar te financieren.’’ Talloze kunstrevoluties in de geschiedenis, van Manets ,,Salon des Réfusées’’, dada tot Beuys, Broodthaers’ en Panamarenko’s Fluxus bewezen het tegendeel, maar die zullen wel niet belangrijk zijn geweest.

Sterker nog: toegepast op de Vlaamse context zouden de verschuivende machtsverhoudingen de culturele elite alhier, die zich aanschurkt tegen het Belgisch establishment, maar wel leeft van Vlaamse subsidies, doen verkrampen… Dat is natuurlijk helemaal te gek om los te lopen: alsof onze vandaag internationaal gelauwerde, vertaalde en opvoerende kunstenaars, als Tuymans, De Keersmaeker, Fabre, Panamarenko, Ultima Vez, Deus, Mortier, Lanoye, e.a. zitten te daveren op hun stoel, wanneer N-VA-politici als Bourgeois of Bourgeois de door de N-VA blijkbaar felbegeerde portefeuille van cultuur toegewezen krijgen in 2014.

Dat de N-VA ideoloog van dienst het hedendaags kunstbedrijf ervan beticht dat ,,het verleden voor hen hoogstens een inspiratiebron is die men met referenties kan plunderen,…’’ is een conclusie die vooral geldt voor de columns van de grote leider zelf. Hierbij wordt de lezer dan ook sterk aangeraden de leider en zijn buiksprekers ,,met de nodige ironische afstandelijkheid te benaderen.’’

—————————

(1) http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20121221_00410971
(2) http://www.vacature.com/carriere/speechschrijver-van-bart-de-wever-brengt-roman-uit-hoe-combineert-hij-zijn-twee-jobs
(3) http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/12/23/trap-niet-in-de-val-van-de-nieuwrechtse-cultuurstrijd
(4) zie (1).

zie ook: Jan De ZUTTER, De verwarring van De Wever, in DS: 26/12/2012, http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20121225_00413895
en:
de academische rel rond Lieven De Cauter: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/12/28/kanttekeningen-bij-een-heftige-cultuurstrijd-drie-open-brieven-aan-bart-de-wever

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s