Wat op het spel staat? Het algemeen belang.

De titel klinkt banaal: ,,Wat op het spel staat’’. Terwijl het over de wereld gaat: we spelen met de wereld of toch met de toekomst van de komende generaties. Dat is het uitgangspunt van Philipp Blom. Hoe het zover is kunnen komen, legt hij uit aan de hand van een zeer eigenzinnige interpretatie van de Verlichting.  Het gaat de verkeerde kant uit met de wereld: de klimaatveranderingen en de technologisering van arbeidsprocessen, waarbij de mens als arbeidend wezen uit het productieproces gestoten wordt, baren Blom zorgen.

Halverwege het boek word je door de schrijver ingeleid in twee mogelijke attitudes die je kunt innemen tegenover dit verlies van zin: de ,,markt’’ en de ,,vesting’’. De liberale democratie faalt, omdat ze alsmaar minder in staat is de fundamentele beloften van het sociaal contract tussen burger en staat, waar te maken. Mensen gaan uitkijken naar alternatieven die geschikter lijken om hun belangen te beschermen en overeenkomen met hun zelfbeeld. ,,Zo is de toekomst van de rijke wereld gespleten geraakt in een liberale en een autoritaire droom, die beiden niet noodzakelijk democratisch zijn of de mensenrechten respecteren. Ik noem de twee dromen de markt en de vesting.’’ (1) Het debat tussen aanhangers van die twee is naar de straat verhuisd, in sociale netwerken en via een propaganda-oorlog. Zowel de markt als de vesting trekken verschillende ideologische families aan en vreemde bondgenoten. Vooral dat laatste is een interessante gedachtengang, omdat de oude tegenstellingen links/rechts; conservatief/progressief niet langer opgaan.

blom

De liberale droom/de markt emancipeerde talloze mensen, maar greep ook meedogenloos in in het leven van velen. Het verhaal van rede en vooruitgang was niets anders dan gemaskeerde macht, die gebruikt werd om de ander, de minder bevoorrechte mens, te controleren, te onderdrukken en uit te sluiten of om te brengen, allemaal in dienst van het algemeen welzijn.

De machtigste tegenbeweging – vandaag dan toch tenminste -, de vesting, is een autoritaire droom, een mondiale, conservatieve opstand die het als zijn missie ziet, het begane onrecht ongedaan te maken en de natuurlijke orde der dingen herstellen. Bannon, Poetin, Erdogan, het FN, Salvini, Orban, het Indiase  hindoe-nationalisme, de Filipijnse regering, passen volgens Blom in dat rijtje van populisten. De autoritaire droom schept alternatieve feiten en is vrij van politieke correctheid; wetenschap in  verband met klimaatverandering kan ook propaganda zijn; boodschappen via internet kunnen de heerschappij van de gevestigde media breken; experts die feiten aanleveren, worden sceptisch bekeken, want ze maken zelf deel uit van de elite. Die elite domineert het openbare leven, maar intussen groeien generaties kinderen op met verkeerde morele voorstellingen over het traditioneel gezin, het volk dat in staat van ontbinding is en ook van buitenaf bedreigd wordt door migratie. Het volk kun je enkel beschermen tegen die biologische, culturele en spirituele neergang, door muren te bouwen en grenzen te dichten, aldus deze tegenbeweging.

Nieuw-Rechts, zuster van de Verlichting?

Tot zover de actuele stand van zaken, aldus Blom. Elke politieke beweging of partij kan zelf gaan bepalen, welk aandeel ,,markt’’/,,vesting’’ ze in haar programma heeft opgenomen. In die zin schetst de historicus een interessante, actuele breuklijn die vragen doet rijzen over de positionering van niet alleen de wegkwijnende sociaaldemocratische en christendemocratische centrumpartijen, maar ook van elke neomarxistische of ecologisch geïnspireerde politieke partij vandaag.

Waaraan ik me stoor in dit boek is de nogal eenzijdige worteling door Blom van dit nieuwrechtse denken en zijn opstand tegen de moderniteit in de filosofie van Rousseau. Hier gaat hij wel zeer kort door de bocht. Het denken van Rousseau is ambivalent en zijn filosofie zit vol tegenspraken, maar net daarom was wat meer voorzichtigheid aangewezen. Bij Rousseau is de algemene wil een zuivere act van het verstand, waarover elke burger beschikt; het is de rede, die zich afvraagt wat ik mag eisen van mijn medemens en wat omgekeerd wederkerig deze gerechtigd is te vragen van mij. Bij de verkozenen des volks geraakt die algemene wil ondergesneeuwd, doordat de particuliere wil de bovenhand haalt. Nog maar net verkozen houden onze politici zich enkel bezig met de vraag hoe ze in de media blijvend aanwezig kunnen zijn door regelmatig te scoren en hun populariteit in polls te verhogen. Met het nastreven van het algemeen belang heeft dit nog maar weinig van doen.

Blom plaatst Rousseau met zijn stem van de natuur en de natuurlijke moraal echter in het kamp van de autocratische denkers. Enkel een wijze wetgever die de leiding over de samenleving op zich neemt, zou nog in staat zijn om de stem van de natuur te horen. Hij zou dan de verwarde individuen aanvoeren en hen heroriënteren. Bij Rousseau zijn in zijn meest pessimistische geschriften zeker dergelijke aanzetten tot vrij dictatoriale ingrepen te vinden in zijn democratie (tot en met censuur, heropvoeding en doodsstraf), maar zijn filosofie in zijn totaliteit kan onmogelijk verantwoordelijk gesteld worden voor de opkomst van nieuwrechts.  ,,Rousseau werd de heimelijke ster van allen die zich als opstandelingen tegen het corrupte establishment beschouwden, maar vooral van hen die zichzelf in de rol van de wijze wetgever en de hoeder van de Algemene Wil zagen.’’ (2)

Maar wat kan de algemene wil anders zijn dan een act van ons individueel verstand? Zelf geeft de schrijver aan dat de liberale droom – tenminste in het rijke Westen – ,,obsessieve narcisten’’ van ons maakt, die als reflectiemateriaal dienen voor de markt van consumptierituelen en de eigen populariteit (met followers en likes), terwijl we eigenlijk elke minuut moeten vrezen voor onze eigen val. (3) Is dit geen perfecte, hedendaagse omschrijving van de particuliere wil, waarin  de egoïstische zelfliefde overheerst? Reden genoeg dus om de weggesmolten, algemene wil in elk van ons te herontdekken.

 

(1) Philipp BLOM, Wat op het spel staat, p. 106.

(2) o.c., p.157.

(3) o.c., p. 132.

Advertenties